rood, bruin, varken, taart, verslikken, gulzig, buffet, overdaad, snoep, vasten, smaak, honger, mond, handen, a volonte, fastfood, genieten, verzadiging, boulimia, blauw, granaatappel (= fruit van de goden, hadden die in overvloed), appelsien, water, mond, chocolade, ijs, pizza, chocomelk met slagroom, ziek, weegschaal, donut, grenzeloos, ribbekes van den Amadeus, kotsen, misselijkheid, spijt, wormen, maag, darm, Kerstmis…
“het kwaad ligt niet in het teveel eten, maar in het genieten van dat eten, want daaruit blijkt dat de eter gericht is op aardse genoegens ipv op de wil van God.”
“het kwaad dat in een goede maaltijd school, maakte van hongeren een deugd en maakte de weg voor moderne aandoeningen zoals anorexia en boulimia.”